Jolich 1

Jolich loopt weg

‘Keet met Greet’ prijkt in kinderlijk handschrift op het houten gebouwtje bij de bosrand.
‘Hier een eettent?’ denkt Job Jolich. Maar niemand reageert, dus formuleert hijzelf maar een antwoord: ‘Wat maakt het ook uit, leven prevaleert boven vragen stellen.’ Na de urenlange autorit rammelt hij van de honger. Ook de andere drie inzittenden voelen aan hun bioritme, dat het wel eens lunchtijd kon zijn.

De norse chauffeur en de slungelige soldaat met zijn pokdalig gezicht stappen met stramme benen de stoffige parkeerplaats op en rechten hun rug. Terwijl de soldaat Job en Jobs vriend Oscar sommeert om het voertuig wel, maar het gezelschap niet te verlaten, stopt de chauffeur zijn .44 Magnum in de holster onder zijn geblokte colbert.
De hitte op het parkeerplaatsje is niet te harden. Snel gaan ze het verveloze kot in.
Hier is het nog heter en bovendien schalt de stem van Mick Jagger uit een speaker:
‘Did you ever wake up to find,
a day that broke up your mind,
destroyed your notion of circular time?’
Het geluid echoot tegen de metalen golfplaten en tegen een blondine, die neuriënd glazen staat te spoelen. De song overstemt alles en de zojuist gearriveerde klanten hebben dan ook wat moeite om een bestelling te plaatsen, maar gebarentaal en hard schreeuwen blijken voldoende om duidelijk te maken, waar ze voor gekomen zijn.
Zodra de knappe blondine begrijpt, dat de vier heren wensen te eten, droogt ze haar handen aan haar schort en jaagt ze bromvliegen weg, die meteen weer neerstrijken.
‘Smerige etters, rotkrengen,’ moppert ze, waarbij onduidelijk blijft, tot wie ze zich richt.
Oscar, de chauffeur en de soldaat bestellen blikjes bier, patat en een frikandel, Job wil fris, friet en fruit, maar dat is er niet.
De vrouw, waarschijnlijk Greet, steekt het gas aan onder een grote zwarte pan vol gestold vet. ‘Direct betalen,’ bitst zij boven de muziek uit.
De chauffeur telt munten uit op het formica blad boven de vitrine.
Greet grist gretig het geld weg, gooit de bestelde etenswaren in het sissende vet en overhandigt dan de blikjes bier en fris.
De soldaat zet zijn M1 Garand tegen de wand. Men zou hem kunnen berispen, omdat het plaatsen van een doorgeladen wapen op deze wijze enig risico oplevert, maar elk vindt het te heet om te zeuren en chroom-6 is tenslotte ook gevaarlijk.
‘Roept u, als het klaar is?’ vraagt de chauffeur, benauwd van de hete frituurpan.
Greet veegt druppels zweet van haar gezicht en knikt vermoeid. Altijd maar vragen, zagen en belagen. ‘Nimmt das denn nie ein Ende?’

Elk lurkend aan zijn eigen blikje gaan de vier reisgenoten achter de keet in de schaduw zitten, de soldaat en de chauffeur op een ding met rondom runentekens in plaats van grafitti, dus waarschijnlijk een paddenstoel van de ANWB, Job naast Oscar op een gevelde boom.
Mick Jagger zal zo langzamerhand wel ‘Let’s do some living after we die,’ gezongen hebben, wanneer Job ineens opstaat.
‘Waar gaaj…’ gromt de soldaat, chagrijnig omdat zijn M1 Garand nog binnen en buiten handbereik staat.
‘Pissen.’ Job vindt het door jarenlange opvoeding en bestraffingen gênant om binnen gehoorafstand te staan klateren.
Er is algemene consensus op dit punt en Job loopt het bos in, terwijl Greet in de keet vruchteloos roept, dat de frieten gaar zijn. Nu de gasten niet opdagen is ze blij, dat ze betaling vooraf heeft bedongen. Ze kent haar pappenheimers en het klappen van de zweep, waarmee ze trouwens meer verdient dan met deze witwas-dekmantel.

Onder het dichtknopen van zijn gulp hoort Job een ijle toon. Wat kan dat zijn? Voor een sirene is het te subtiel. Een nachtegaal? Bij klaarlichte dag onwaarschijnlijk. Is het de god Pan op waldhoorn of hebben ze in de frietkraam ‘die Zauberflöten’ opgezet? Een jubelende serafijn! Dat is de aantrekkelijkste hypothese. Maar alleen feiten kunnen een theorie weerleggen op het aambeeld van de empirie of staven. Dus wandelt Job met gespitste oren  in de richting van de verleidelijke stem. Steeds verder, tot hij verdwaalt in het bij kenners en natuurvorsers beruchte moeras van Illuzië.

De stralen van de ondergaande zon omringen als zuiver zilver (Ag) de randen van majestueuze en toch indrukwekkende cumulonimbuswolken. Maar een uitweg biedt dit panorama Job niet. Na uren dolen moet hij toegeven, dat hij de weg kwijt is en de duisternis snel valt. Ook hijzelf struikelt vaak. De vrije natuur is, zeg maar, niet echt zijn habitat. Jean-Jacques Rousseau mag er dan hoog van opgeven, Job zit liever tussen papyri, perkamenten en papers die gaan over de problematiek P ^¬ P.
Dreigend strekken knoestige bomen hun heksenbezemvolle takken naar hem uit. Hier durft hij niet te gaan slapen en de hele nacht dwaalt hij verder. Als een weerspiegeling of metafoor van zijn troebele mentale gesteldheid zweven dwaallichtjes boven gitzwarte poelen. ‘Daar stap ik mooi niet in,’ besluit Job, die hierover een enge roman gelezen heeft en zich ook de beelden uit de film The Lord of The Rings herinnert, waar Frodo en Sam in het land Mordor een dergelijke poel aanschouwen.
Maar Job zou Jolich niet zijn, als hij in de volslagen duisternis niet een stukje zelfredzaamheid aan de dag zou leggen. Om zijn amygdala te kalmeren, begint hij een grunge-hit te zingen, waarmee de band Permafrøst bij het Tongfestival in Togo onlangs laatste werd na een gridstraf wegens nagalmen, terwijl het dol enthousiaste publiek had verwacht dat deze band eindelijk het Ah-bah-kwartet zou verslaan, dat dit jaar het volgende liedje kweelde:
Ik hou van jou
ik blijf je trouw,
‘k sla je tot ridder
ik ben je aanbidder.

Job voelt een lichte misselijkheid opkomen bij de herinnering aan deze woorden en zet snel de hit van Permafrøst in:
In mijn cocon
eenzaam solipsistisch
smacht ik naar osmose:
Turgordruk, bevrijd me,
open toch de poort
de poort naar alle and’ren
die ik zo lang bedacht.

Job voelt zijn welzijn gelijk met drie punten omhoogschieten en de buitenwereld past zich conform de Tao aan dit geluksgevoel aan, want zie: voorbij de volgende bocht in het modderige pad stuit Job op een wanordelijke stapel vaten. ‘Waar vaten zijn, is industrie en beschaving niet ver,’ concludeert hij hoopvol en pseudo-realistisch, ‘want na het afzweren van de alchemie is de werkgelegenheid in de chemische sector explosief gestegen en al deze arbeiders moeten gehuisvest en gevoed, sociaal verzekerd en wat al niet, dus er moeten hier ergens mensen wonen. Redding is nabij.’
Waren de lichtomstandigheden fortuinlijker geweest, dan had Job kunnen waarnemen, dat de vaten vrolijk versierd zijn met plaatjes van piratenvlaggen en vlammetjes in een driehoekig kader. Op verweerde stickers had hij voorts met wat moeite woorden kunnen herkennen als ‘dioxine’, ‘nuclear waste’ en ‘genetisch gemodificeerd’. Maar het is te donker, Job is te moe, en evenmin heeft hij enig idee, waar de doorgeroeste vaten vandaan komen. Logisch, want uit het oogpunt van nationale veiligheid en bescherming van de volksgezondheid is er geen ruchtbaarheid gegeven aan het feit, dat het nabijgelegen militaire onderzoekslaboratorium deze overtollige producten hier tijdelijk heeft opgeslagen, zodat Vergetelheid haar heilzame werk kon doen. De genetisch gemanipuleerde virussen hebben zich in de poeltjes stralend aangepast aan het ruige bestaan buiten de reageerbuis. Zo is een boeiende biotoop ontstaan, die de meest exotische extremofielen heeft aangetrokken of heeft doen ontstaan. Maar de bedrijvige laboranten ontwikkelen in opdracht van vredelievende ministers en stafchefs intussen nog afschrikwekkender vernietigingswapens en missen daardoor helaas de wetenschappelijk best wel publicabele ontwikkelingen in hun eigen achtertuin.

Jolich loopt door

Wie in de jungle of in de moderne verstedelijkte maatschappij wil overleven, moet 24/7 alert zijn zonder ook maar een tel te verslappen. Overgeleverd aan Darwins wrede wetten is het bestaan zowel daar als in het vrije veld wel even harder dan in romannetjes, waar het allemaal zo eenvoudig klinkt. Nu eens spoelt op donderdag een overijverig behulpzame Vrijdag aan, dan weer geeft een smoorverliefde Ariadne aan de onversaagd radeloze held een rode draad mee als Tomtom in het labyrint. Maar de arme Job staat er alleen voor, overgeleverd aan de grillen van een vijandige natuur met maar twee doelen: doden of doodmaken. Zelfs zijn verbeten strijd tegen de slaap is kansloos. Hij verliest zijn geduld en denkt bij zichzelf: ‘Ik scatte ic mijn bedde make onder die loovers, nu ga ic sitten onder dese haghe.’ Waarna hij behaaglijk onder een hulststruik kruipt, waar warrige dromen, muggen en andere duivelse steekbeestjes hem kwellen, verzot als ze zijn op mensenbloed.

Bij zonsopkomst kruipt hij onder de stekelstruik vandaan, knipperend met zijn geïrriteerde ogen. Waar op zijn huid nog plek is tussen de muggenbulten zit een schram. In zijn schoen kruipt een tweeduizendpoot, zo groot als een millenniumbug. Wiebelend op één been schudt hij het wriemelende insect eruit, valt bijna om en trapt met zijn blote hiel in een achteloos weggegooid conservenblikje. Maar voor zelfmedelijden is geen tijd. Er klinkt ineens luid: ‘Hulp, hulp!’

Precies wat hij nodig heeft! Dus rukt Job het kartelig gerande blikje van zijn hak en snelt hij in de richting van het veelbelovende geluid. Tijdens het snellen koestert hij de gedachte, dat Sartre dus toch gelijk heeft, wanneer hij beweert, dat de mens intentioneel op de wereld gericht is. ‘Begeerten stuwen ons,’ vertaalt Job intern, ‘instincten richten onze geslachtsdrift en evenzo sturen zij de overige verlangens die gedicteerd worden door lichamelijke behoeften en de piramide van Maslow. Indien aan deze piramide ook maar een el of hoeksteen ontbreekt, lijden we gebrek. Dat ze daar nou niks aan doen, is onbegrijpelijk. Voor alles is een actiegroep, maar Maslow wordt doodgezwegen, ontkend en genegeerd. Is deze wereld niet vol honden van Pavlov?’

De vaste grond onder zijn voeten gaat intussen over in zompige klei, waar hij óf over uitglijdt óf in wegzakt. Ook struweel vol weerhaken belemmert een vlotte voortgang en verderop snijdt manshoog riet, geschilderd door Co Westrik, zijn vinger. Dit maakt de toestand minder draaglijk.
Eindelijk bereikt hij een abject stinkende modderpoel, waar hij ingespannen naar spiedt tot hij een knaap ziet. Die zit moeilijk waarneembaar tot aan zijn middel vast in het drijfzand, met vals riet wurgend om zijn nek.
‘Bwelp, blup help,’ sputtert hij.
Job wil hem erop wijzen, dat goed articuleren een eerste vereiste is als je om hulp zeurt, maar hij begrijpt plotseling, dat adequaat optreden geboden is. Er schiet hem dan ook een dichtregel van J.C. Noordstar te binnen:
Mijn zoon ging vissen bij de vliet,
de wind woei vrolijk door het riet.’
Mijmerend over de ingetogen tragiek van het poëem trekt hij kordaat de stakker aan diens armen uit het drijfzand.
‘Ik dacht dat ik doodging,’ zegt de knul met zachte g, ‘stel je voor!’
‘O ja, tuurlijk, mijn naam is Job Jolich.’
De knaap rukt grimmig het riet van zijn hals af. ‘Voor mij ben je Guus Geluk. Zonder jou was ik gestikt of gesneefd in drijfzand. Robin, aangenaam.’ Hij spuugt hatelijk op de grond.
‘Hoe ben je hierin terechtgekomen, Robin Aangenaam?’
‘Van het rechte pad in de prut geraakt. Ik ben padvinder.’
Job knikt, alsof hij het begrijpt. ‘Waar kom je vandaan?’
‘Uit het kamp hier in de buurt, maar ik ben vannacht gevlucht.’
‘Voor wat?’
‘Vraag liever voor wie,’ verbetert Robin, ‘voor de Vleermuis.’
‘Hè? Gevlucht voor een vleermuis?’
‘Ja, voor Vleermuis Vlerk, alias hopman Fleerhuis.’
Job begint hartelijk te lachen. ‘Een woordgrapje dat mag. Hoe heb ik op hulp gehoopt na jouw geroep!’
‘Laten we een uitweg te zoeken en naar eetbare dingen speuren, want weliswaar beweren zowel Gorgias als Cicero, dat we niet leven om te eten, maar dat we eten om te leven, maar die twee oude wijsgeren hadden mooi praten tijdens copieuze gastmalen, je weet wel, waar Plato zo leuk over schrijft. Maar als je met holle maag door een meedogenloos moeras doolt, leer je wel beter,’ stelt Robin voor.
‘Net als boodschappen doen met lege maag, dan zijn er ook nooit karretjes vrij,’ beaamt Job, die ook wel een volzin ten gehore wil brengen na een heel etmaal met zichzelf opgescheept gezeten te hebben.
‘Als we snel een eland vinden, kunnen we net doen of we in die film zitten, Into the Wild,’ mijmert Robin, ‘en dan kan ik intussen naar mijn hoed zoeken.’
‘Wil je die opeten?’
‘Ik zei hoed, niet hond, ik ben toch niet gek?’
‘Wat baat het verstand, als je er niet mee weet om te gaan? Mijn hemel, wat mis ik nu mijn cursus Logisch Denken van Emmet,’ zucht Job.
‘Welke kant gaan we op, dan?’
‘Dat stuk, wat ik gisteren heb gelopen, daar is geen supermarkt of electronicazaak, dus die kant hoeven we niet op en het moeras valt af, omdat we geen lieslaarzen of duikapparatuur hebben,’ redekavelt Job.

De weetjes van Robin komen hier in de wildernis goed van pas. De getrainde padvinder maakt met keien, dode bladeren en sprokkelhout een vuurtje, waarop ze water koken in Jobs conservenblikje. ‘Dit kampvuur zal bovendien de monsters van de nacht op een afstand houden,’ vermoedt Robin stellig.
Ze laten zich het avondmaal van wormen, gepofte noten, bramen en gepocheerde eitjes goed smaken. Dan spreken zij af, om beurten de wacht te betrekken en op het vuur te letten.
Job biedt uit misplaatst fatsoen overmoedig aan, als eerste de wacht te houden.
Robin zegt na een halfhartig protest snel ja.

Uit de put

Jobs waakbewustzijn moet na twee minuut dertien de ongelijke strijd opgeven, net zoals de snelvoetige Achilles verloor van de sluwe schildpad, toen hij moest toegeven, dat zo’n schildpad altijd wint, omdat je steeds ellendig lang moet wachten voordat die mislukte slak een eindje opgeschoten is en jij ook verder mag, zodat je onherroepelijk in slaap valt en zelfs remise door pat wel kunt vergeten. Dus valt Job als een blok in slaap.

De feeëriek flakkerende vlammen van het kampvuur projecteren filmbeelden op zijn oogleden. Beelden van een oude stenen put op een groot dor weiland, waaraan slechts hier en daar een verdroogde koeienvlaai een asymmetrisch cachet verleent, wat de ware kunstkenner in hoge sferen van extase zal brengen, zoals een uitzonderlijk gefacetteerd geslepen diamant dit gevoel opwekt bij een geschoolde violist of een stradivarius bij begenadigde juweliers.

Job kijkt in de put. Hij kan de bodem niet zien. Zit er wel water in? Hij gooit een kiezelsteentje in de diepte en daarna een trottoirtegel. Maar in plaats van plonsgeluiden zweven twee schimmen omhoog. Nadat de linker entiteit wrevelig het steentje uit zijn hoofd heeft geplukt spreken zij beurtelings:
– ‘De Aloude Meesters sturen ons met een boodschap.’
– ‘Een Zegel zal je worden onthuld.’
Job wil antwoorden, dat hij als kind al postzegels spaarde, maar het lijkt wel of er een geluidswal strak rondom hem gedrapeerd zit. Gebaren maken kan hij evenmin. Hij staat versteend als de zoutpilaar, die kort daarvoor nog Lots vrouw was. Desondanks vervolgen de lichtwezens hun toespraak en spreken zij verder.
– ‘Mijn naam is Ariël.’
– ‘En Uriël de mijne.’
– ‘Voor vrienden U&A.’
– ‘Er is een Taak voor je bestemd.’
– ‘Breng die tot een goed eind en jou wacht de beloning ultiem.’
– ‘Voorbij de Laatste Poort…’
– ‘ligt een paradijs vol vlekkeloos ontvangen maagden,’
– ‘maar laat je nimmer verleiden tot…’
– ‘verrukkingen of geneugten,’
– ‘genot of frivoliteit,’
– ‘verzaak alle slemperij, drankgelagen en spilzucht…’
– ‘laat ook af van waarzeggerij en dodenbezwering,’
– ‘en hoed je voor vals getuigen en hoererij,’
– ‘kortom: vind voor ons de Steen des Levens!’
Job voelt, dat de maaltijd hem wat zwaar op de maag ligt en draait zich op zijn zij.
– ‘Als teken van initiatie krijg je van ons een toverformule.’
– ‘Hohoho, moeten we dat wel doen?’
– ‘Zo staat het in het script.’
– ‘Ja maar, in deze sfeer geloven ze niet in toveren.’
– ‘Dat is jammer dan.’
– ‘En welke toverspreuk had je trouwens in gedachten?’
– ‘Avier, avier, avier, nu ben ik van papier.’
– ‘O die, dat hij dan in papier verandert.’
– ‘En natuurlijk de herstelformule…’
– ‘om weer gewoon te worden, zeg maar Undo of Control-zet?’
– ‘Ja, die van Driewerf avier, nu scheid ik van papier.’
– ‘O ja, anders komt hij in een lus van Möbius en loopt alles spaak.’
– ‘Vrees je niet voor misbruik van dit geheim, waar Trismegistos, Paracelsus en Faust vergeefs naar hebben gezocht?’
– ‘Ach, het is maar de vraag of hij de spreuken kan onthouden.’
– ‘Is hij überhaupt nog wel bij de les, die slome uitverkorene?’

Ariël en Uriël, de boodschappers van gene zijde, beginnen aan Job te rukken, zodat hij wakker schrikt van Robin, die hem krachtig heen en weer schudt en ‘jouw beurt’ zegt.

Job port in het troosteloos smeulende kampvuurtje en mijmert over zijn visioen. Noch nabij geritsel, noch de doodskreet van een verschalkt prooidier kan hem bij de les houden. Al zijn aandacht en streven is erop gericht, de woorden van U&A in zijn oren te knopen. Robin mag blij zijn, dat het nog weer licht wordt. Ze doven het vuur, maken een voedzaam en calorierijk ontbijt en gaan op pad.
Niet gehinderd door wijsheid of andere denkfouten gaan ze welgemoed op pad. Vanuit de gewisheid, dat het Lot hen via doeloorzakelijkheid en magnetisme naar de bestemde plek zal loodsen, slaan ze linksaf. Het idee, dat dit geloodst worden een constructie van hun eigen individuele geest zou kunnen zijn, komt niet bij hen op, omdat ze dit a priori een te verwaarlozen hypothese achten, die het nader analyseren niet waard is.
Al snel zijn ze verwikkeld in geanimeerd gekeuvel.
Job merkt op: ‘Weet je Robin, dat maar weinig mensen in gezelschap lang kunnen zwijgen?’
‘Over koetjes en kalfjes en hoe je die het smakelijkst kunt bereiden, bedoel je?’
‘Meer in de zin van Nietzsche’s aforisme “Ich kenne diesen Menschen nicht, ich habe noch nicht mit ihm geschwiegen.”
‘O dat soort grappig bedoelde woordspelingen haat ik toch zo, dat moet minder, zo niet helemaal verboden worden,’ bepleit Robin.
‘Het leidt af,’ beaamt Job, die meteen discreet een verwant thema aansnijdt, wat de daadkracht toont van de twee kerels, in de bloei van hun leven, voor geen kleintje vervaard en op avontuur, figuren kortom die bij de Nieuwe Zakelijkheid populair waren.
Job vraagt: ‘Zeg, Robin, zou jij er bezwaar tegen hebben, als we vanaf nu jouw naam inkorten tot Ro?’
‘Wat…’
‘Ja nee, weet je, kijk, nou eh, als je, stel zeg ik…’
‘…ben ik blij, dat je het voorstelt, Jos. Hoe heb ik geleden door mijn oude voornaam. Telkens als ik die noemde riep er iemand Hoed! En grapjurk Twee vroeg dan, of ik voor ze uit stelen van de rijken wilde gaan om de vergaarde buit dan aan hen, arme sloebers te geven.’
‘Die scene herinner ik me van Monty Python.’
‘Zo geleden heb ik.’
‘Lang geleden?’
‘Én hevig.’
‘Ts, ts.’
‘En hier, kijk, aan mijn kuit heb ik ook een puistje.’
‘Goed dat je er meteen naar laat kijken.’

Door de diepzinnigheid van hun dialoog vliegt de tijd en kunnen ze al halverwege de middag een heuvel beklimmen.
‘Misschien geeft deze bult uitzicht over de omgeving en vinden we zo de weg uit dit labyrint,’ roept Job optimistisch.
‘Die puist aan mijn been heeft het juist voorspeld!’ lacht Ro.
‘Orakels spreken in vele talen,’ fluistert Job vol ontzag.
Het geluk lacht hen toe. De heuveltop is zo kaal als een bijna gepensioneerd schoolhoofd en amper begroeid. Zoals gehoopt, krijgen ze nu een wazig, maar toch vaag beeld van het uitgestrekte moeras.

Ineens slaakt Ro een kreet: ‘Wow, daar! Een vaalgroen kasteel in het dal.’
Job draait zich om. Zijn waarneming congrueert met die van Ro, maar hij vindt het vreemd. Meestal worden kastelen op een hoog punt gebouwd, zodat de kasteelheer naderende vijanden en schatplichtige passanten in het vizier kan houden, zodat hij ze kan laten doodschieten, als ze naderen of ongezien voorbij proberen te gaan.
Job draaft deze gedachtengang tot ver door en komt tot de conclusie, dat er een wonderschone prinses opgesloten moet zitten in dit weggemoffelde kasteel. Want waarom zou men een dergelijk fraai buitenverblijf anders zo aan het oog onttrekken? Dat tart alle logica. De arme prinses moet onverwijld gered worden uit dit barre oord! Hier wacht zijn schone taak op hem!
‘Ro, zadel de paarden, haal een harnas en een hellebaard, een zwaard en ook een degen, een strijder weet vooraf toch niet: wat kom ik daar tegen.’
Maar Ro heeft geen aardigheid aan dat plan. Hij is, zeg maar meer mensenmens dan paardenfluisteraar en wil liever de andere scouts zoeken. Tenslotte is hij padvinder.
Job probeert met flemen, argumenteren en zo zijn vriend aan het herdenken te zetten, maar Ro blijft irritant eigenwijs, zodat Job na drie kwartier vertwijfeld uitroept: ‘Dan scheiden onze wegen.’ In beider ogen pinkelen tranen, die langzaam aanzwellen tot stromen over de wangen.
‘Wacht, ik geef je als aandenken een waardevol amulet. Omdat je mijn leven hebt gered.’ Ro overhandigt zijn redder een elfhoekig medaillon van talmigoud en een plastic balpen, een gegraveerde relatieprul, die Vleermuis hem bij zijn intrede als padvinder plechtig heeft overhandigd met de woorden: ‘Wees er zuinig op.’
‘Wees er zuinig op, Jip,’ mompelt Ro, die nu zijn handen vrij heeft om zijn vriend stevig te omhelzen. De lange afscheidsscène vol schouderklopjes eindigt pas, wanneer Robin na rijp beraad in een willekeurige richting verdwijnt.

Het kasteel

Terwijl Job zijn kortstondige vriend treurig maar bevrijd nakijkt, komt plotseling een middeleeuwse dichtregel boven:
‘Heeft Jacob sinen wech genomen,
in een foreest es hi comen.’
Hij kijkt even naar het medaillon. Er zit een blauwe postzegel in met de malle tekst Mauritsius’. Hij propt zowel het kleinood als de balpen in zijn broekzak, want hem wacht iets groots. Op naar Taak ende Kasteel!
Dat wordt nog een fikse tippel, de heuvel af en dan door het dal naar het bouwwerk. Vooral voor een ongeoefend wandelaar zonder de juiste offroad bergwandelschoenen en Nordic walking equipment. Op het laatst strompelt Job dan ook deerniswekkend.

Eindelijk klopt hij bedeesd op de reusachtige houten poort. Niemand reageert. Dus beukt hij met een dikke veldkei tegen het eikenhout.
‘Ist waratje affelopen mettat gebonk, fuil geteisem’ vloekt een boze basstem, ‘eune deur wor nie gekoch! Rottop of ik hak jin nootjes!’
‘In mootjes,’ corrigeert Job.
Zo’n twistgesprek kan licht een onaangename wending nemen, maar hij ziet plotseling achter een rond raam, hoog boven in een toren, een ranke vrouwengestalte. Precies zoals verwacht. Helaas kan hij vanaf zijn positie niet waarnemen, of de prinses een spinet bespeelt, met een spinnende poes op schoot zit, of aan het spinnen is om draden te verkrijgen waarmee ze een kleed kan weven, dat ze elke nacht weer uithaalt, zodat ze tijd wint. Wel ziet hij helder in, dat hij een plan moet verzinnen om de prinses uit haar benarde veste te bevrijden. De kern van de zaak is: Hoe komt hij binnen? Met een loper? Op een wit paard? Of door het antieke slot te openen met een pinpas?

Om het beginsel van serendipity een eerlijke kans te geven, schakelt Job zijn hinderlijk redenerende verstand uit, zodat hij in contemplatie kan verzinken. Het eerste, dat zich aandient, is een helder bewustzijn van vermoeide benen, die aanvoelen als lamme poten. Hij kijkt om zich heen en ziet links een grote kartonnen doos. Daarop neemt hij plaats en de contemplatie hervat zich vanzelf.
Kan hij niet simpelweg binnenkomen met de droomformule ‘Avier, avier, avier, nu ben ik van papier’? Hij prevelt en murmelt de mantra, alsof zijn leven ervan afhangt, maar moet toegeven, dat de wereld van de denkdingen misschien toch wel zo erg verschilt van de wereld der objecten met uitgebreidheid, gelijk Descartes al heeft uitgedokterd, dat men geen veranderingen in de fysieke omstandigheden kan bewerkstelligen door ze zich mentaal voor te stellen. De poort openen met pure gedachtenkracht zit er dus niet in en Uri Geller bellen op dit uur is evenmin een optie, want Job heeft geen mobieltje. Moedeloos staart hij omlaag. De doos!
Hij springt op en leest nu pas de adressticker op de bovenkant, die zonet nog bedekt werd door zijn eigen onderkant. Er staat met grote blokletters BOEKEN en dan een naam en het adres van de toren.
Wellicht bieden boeken met hun gestolde wijsheid der eeuwen hem een antwoord op zijn probleem! Fluks opent hij de doos. Tot zijn teleurstelling is die echter leeg. ‘Wat schreef de oude Chinees Lao Tzu ook weer? Aan de leegte ontleent het huis zijn nut. Zoiets. Als ik nou in die doos kruip, dan heb ik in elk geval een dak boven mijn hoofd. Dat is mooi, maar mijn hoofdprobleem lost onderdak niet op. Ik wil immers binnenkomen in het kasteel. Eureka! The Velvet Underground, Waldo Jefferson, inside the box, trembling with excitement.
‘Ik ga keihard roepen, dat er nieuwe boeken voor de prinses zijn, verstop me dan pijlsnel in de doos en zal als een moderne Hugo de Groot niet ontsnappen uit, maar binnengevoerd worden in het boudoir van de prinses, alsof ik me in een Trojaans paard of een turfschip in Breda bevind.’
Zo gedacht, zo gedaan. Wat weer voeding geeft aan het idee van Plato, dat alle briljante dingen ontstaan in een Wereld van Ideeën, voordat ze zich als schaduwen manifesteren in de materiële werkelijkheid, wat overigens bewezen is door Rohrschach.

Job krast met zijn plastic balpen het woord NIEUWE voor BOEKEN, bonkt vervolgens weer met de veldkei op de poort, roept luid ‘nieuwe boeken’ en klimt als de bliksem in de doos, zodra de poort met veel getier en gevloek geopend wordt.

Nu is Job niet meer bij machte om zijn lot zelf te bepalen. Hij is overgeleverd aan de wil van het toeval, hier in de gedaanten van een zekere Prok Roetsov en diens knorrige assistent Kerb, die samen het kasteel bewaken. Prok Roetsov, ooit een voorbeeldig lid van de ordedienst, is verworden tot een rochelend gedrocht vol etterende puisten. Zijn roze varkenskop is vierkant. Zijn handen zijn kolenschoppen. Het ooit propere uniform vol overbodige gouden knopen en andere versierselen hangt nu troosteloos smerig om zijn opgeblazen lijf. De tijd heeft zijn tol geëist van Prok, in een vorig leven de trotse bezitter van een herberg met slechts twee bedden, twijfelaars, die erom bekend stond, dat niemand er langer dan één nacht verbleef, overweldigd als de gasten blijkbaar waren door alle bijzonderheden van dit nachtlogies.
Bijna nog triester is de geschiedenis van Kerb, door zijn moeder Gretl te vondeling gelegd bij een smalle beek, nadat zij als maagd in haar slaap was bemind door een Romeinse honderdman, die de ineenstorting van het Rijk had gemist en nu verdwaasd in de bossen rond Erquy doolt, waarna Kerb werd opgepikt door een roedel geldwolven, die hem een hardvochtige opvoeding gaven conform het darwinistisch-gezonde recht van de sterkste. Door grommen en beten wisten de zorgzame wolvinnen Kerb te leren, dat hij alfa-wolf Arnold Zwartnek maar liever niet in de ogen kon kijken noch hem voor de voeten kruipen.
Deze opvoeding eindigde abrupt, toen jager-verzamelaars Kerb vonden en aan een circus verkochten als wolfskind-attractie, aan welk bestaan door dierenactivisten een eind werd gemaakt, waarna de overheid Kerb onder de hoede van Prok plaatste, toen nog een zeer gerespecteerd handhaver van de goede orde.

Prok en Kerb stampen in legerkistjes op de doos af. Job probeert een actieplan te beramen. Welke modus operandi is in deze situatie de juiste? Moet hij de twee engerds met gepast geweld uitschakelen? Hm, de vechtkunsten, die hij ooit in een pocketboekje uitgebeeld heeft gezien, zullen hem van weinig nut zijn. Gelukkig blijken ze ook niet nodig, want de tekst ‘aan de prinses achter het ronde raam’, volstaat.
De wanstaltige figuren trappen er met open ogen in. Wat wel aangeeft, met wat voor buitensporige lieden Job van doen heeft. Wie heeft immers ooit met zijn ogen kunnen trappen? Hierdoor worden de legerkistgeschoeiden echter niet in het minst van hun stuk gebracht.

Terwijl ze de zwaarwichtigheid van de doos met boeken vervloeken, bestijgen de wanstaltige Prok en zijn knecht Kerb puffend de wenteltrap naar de torenkamer. Aan weerszijden van de wenteltrap hangen schilderijen en prenten, zoals Job vanuit de kartonnen doos nog nooit heeft gezien. Doeken met slappe klokken, een man die zijn eigen rug in de spiegel ziet, eentje met grote massa’s fruit, die een gezicht vormen.
Eén prent lijkt pikzwart, maar als je goed kijkt, zie je de letters XinX. ‘Ik zie niks in dat ding,’ denkt Job, ‘het zal wel moderne kunst zijn.’ Ernaast hangt een wit schilderij met ‘Zero’ eronder. ‘Zou Zero de maker zijn of slaat het op de prijs?’ vraagt hij zich af.
Na de laatste trede komt er een eind aan de trap.

Vóór de deur van de torenkamer rusten de twee wachters met hun vracht een kwartier op de kokosmat met ‘Welkom’ erop. Ze nemen om beurten een slok absint uit een veldfles. Kerb boert. Daardoor komt er maagzuur in zijn luchtpijp en hoest hij onbedaarlijk tot het over is. Deze pauze geeft Job de kans om zijn omgeving te verkennen. Maar hij grijpt die kans niet, want hij peinst al sinds trede 973 over de kwadratuur van de cirkel. Volgens hem moet je een vierkant kunnen construeren met het oppervlak van een cirkel door de zijden van het vierkant de grootte te geven van de straal van de cirkel keer wortel pi.*
* (Job heeft duidelijk zijn wiskundekennis verwaarloosd, want in 1882 bewees Ferdinand von Lindemann al, dat de kwadratuur van de cirkel onmogelijk is.

Nu bonkt Prok met zijn vuist op de deur.
‘Se regeer nie,’ slist Kerb.
‘Dat hoor ik ook wel,’ grauwt Prok.
‘Ogen luistert, spraken de oren, wij hebben nog nooit zo’n stilte gehoord,’ schiet het Job door zijn hoofd, wat wel aangeeft, hoe verward hij is, want wiens geest van moderne kunst naar de wiskunde naar de dichtkunst flitst in amper twintig regels, die kan men een zekere ongedurigheid niet ontzeggen.
De prinses moet het gehoest gehoord hebben. Al de hele ochtend smacht zij naar een Opzienbarende Gebeurtenis. Maar zij rukt niet meteen haar voordeur open, uit vrees voor wrede grappen van de deugnieten Kerb en Prok, die nu worstelen met de vraag, waarom de prinses niet reageert.
Ongevraagd overweegt Job, dat logisch rafelwerk zes mogelijkheden oplevert:
a) de prinses is er niet,
b) de prinses is er wel, maar veinst van niet,
c) de prinses is gestoord,
d) noch de prinses is er noch de prinses is er niet,
e) de prinses is er wel en tevens niet,
f) geen van voorgaande mogelijkheden is waar,
g) al deze mogelijkheden zijn waar.

Optie a) valt direct af, want de prinses verliest haar geduld en schreeuwt woedend:
‘O deur, stinkdeur, wanneer gaat gij eindelijk open?’
Onmiddellijk opent Prok met een valse sleutel de toegesproken deur wijd.
‘Wattisser wathepje?’ krijst de prinses met overslaande stem.
‘Uwe Hoogheid, hervind uzelf. Laat u niet gaan, want ook wij laten u niet gaan,’ repliceert Prok. Is het arglist of kán de prinses gewoon niks met de situatie? Heeft ze zoiets van ‘met onwillige honden is het slecht kersen eten’? Derhalve stottert ze nu met een waardigheid, die past bij de adel die zij nog altijd vertegenwoordigt: ‘Wat b-brengt u hier, heren?’
‘Een doos,’ zegt Prok.

Een vracht aan gedachten

Het kost Job titanische kracht om zich in de doos in te houden, maar eindelijk is hij dan toch in de kamer van zijn droomprinses. Nu gaat het gebeuren! Denkt hij. Maar nieuw oponthoud dient zich aan. Het lijken de treinen in wintertijd wel. Nauwelijks heeft Prok ‘doos’ gezegd, of Kerb haalt de absint tevoorschijn.
‘Een doos, hè hè,’ lispelt hij, ‘da moe op gedronkûh worre.’
Korzelig kapt Prok dit met een gretige blik op de drank af. Hij zet de doos voor de voeten van de prinses met de prachtige hendiadys ‘Neemt hier zegel ende brief’, wat slechts als beeldspraak geduid kan worden, omdat er immers helemaal geen brief of zegel, maar een doos wordt overhandigd. Dan maakt hij een lichte buiging, die zowel eerbied als spot kan uitdrukken, en trekt hij Kerb en het veldflacon de kamer uit.

Job zweet en trilt van de spanning, maar ook door de aanblik van de prinses van al zijn dromen! Voor hem is het liefde op het eerste het beste gezicht, dat hij ziet na alle ontberingen. Hij zal haar redden, of ze wil of niet.
Amper zijn de knechten weg, of hij probeert de aandacht van de aanbedene op zijn aanwezigheid te vestigen door te zeggen: ‘Het leven wordt een lolletje, nu toon ik jou mijn bolletje.’
Zijn stemgeluid heeft een onverwacht effect: de prinses slaakt een gilletje en valt in katzwijm. Job veert als een duivel uit de doos en is precies op tijd om de flauwvallende schone te grijpen voordat haar lichaam de harde vloer raakt.
Zij slaat haar ogen op naar haar achtervanger. ‘Mooie catch.’
‘Catch as catch can,’ glimlacht Job, zwaar onder de indruk van haar gewicht.
‘Maar ga toch zitten’ gebaart zij.
Job kijkt om zich heen. Gaan zitten valt hier niet mee. Overal liggen stapels boeken.
Hij herkent menige titel. De gebroeders Karamazov van Dostojevski wiebelt op The Unbearable Lightness of Being van Milan Kundera. Die fröhliche Wissenschaft van Nietzsche ligt op de salontafel opengeslagen bij paragraaf  341. Op de sofa ligt Hegel, Nietzsche, and Philosophy van Will Dudley. Job neemt plaats op een wiebelende stapel romans van Washington Irving, Charles Dickens, Mark Twain en H.G. Wells.
De prinses trekt de mistgordijnen open, zodat zij haar onverwachte gast bij daglicht kan keuren. ‘Wilt u iets drinken?’
‘Een borrel gaat er wel in na al mijn avonturen,’ zegt Job met een begerige blik op de Klein-fles met exotische likeur, die naast Nietzsche op de salontafel prijkt.
‘Kruidenthee, builtjesthee, groene thee of muntthee? Uit Russells theepot smaakt het allemaal even lekker en ik drink ohnehin meest gezonde reformdranken. Volgens de bijsluiters komen die mijn teint ten goede en helpen ze de veroudering van huid en hersenen te vertragen. Zulke reformdrankjes hebben mij gemaakt tot en behouden als de fiere vrouw, die ik ben en die ondanks al het doorstane leed amper iets van mijn frêle frisheid heeft verloren. Niets gaat boven een spartaanse leefwijze, onthouding van alle schijngeneugten en yoga op zijn tijd.’
‘Eh, doe maar builtjesthee, dan is er congruentie met mijn builen en schrammen. Mijn naam is trouwens Job Jolich, maar u mag wel je zeggen.’
‘Geef iemand je geboorteakte en hij weet wie je bent, maar ook de persoonlijke levensgeschiedenis geeft soms een beeld van degene tegenover je. Daarom zal ik in het verleden beginnen. Geboren ben ik en ik had een leven als een prinses in een welvarend land met een hardwerkende bevolking en weinig bestuurders en daarom welvarend.
Mijn naam is Aldegonda op zondag, doordeweeks heet ik gewoon Mirabiledictu, bruut afgekort tot Mier door mijn vader, koning Airon Winter III, de steenrijke, doch ijskoude monarch. Zijn paleis is onvoorstelbaar luxueus ingericht met meubilair, schilderijen en gebruiksartikelen, die rijk versierd zijn met diamanten, saffieren, parels en waar nodig antimakassars. ’s Winters sierden kunstig vormgegeven sneeuwpoppen de prachtige gazons en ’s zomers rolden lakeien elke dag de vele zwerfkeien rond het koninklijk optrekje terug naar hun plaats.’
Job fluit bewonderend, maar wordt met een boze frons gecorrigeerd.
‘Mijn oogverblindend mooie stiefmoeder was zo verwaand als een actrice na haar eerste bijrol in een soapserie en had een bloedhekel aan mij, maar dat liet ze niet merken.Want de koning hield van mij van zijn eigen oogappels. En mijn huichelachtige stiefmoeder wachtte zich wel, vermetel zijn toorn op te wekken.
Als jonge prinses werd ik zo optimaal mogelijk beschermd opgevoed, want papa wilde voorkomen, dat ik het leed in de wereld leerde kennen. Ik moest maar liever blijven geloven, dat ik in een sprookje leefde, vond hij. Of dit een verstandige keuze bij de opvoeding was, betwijfel ik nu, want de eerste keer, dat ik samen met hofdames een wandeling tot net buiten het solide smeedijzeren toegangshek maakte, zag ik een hangjongere. Dit maatschappelijk onaangepaste type verlummelde zijn dagen in een onverklaarbaar bewoond vies kraakpand nabij het kasteel. Ik was geen kind meer, zoals paps meende en werd  op slag smoorverliefd op deze kruimeldief en drukwerkgebruiker. Toen mijn ouders via de spionagedienst hoorden over mijn misplaatste verliefdheid, griefde hen dit. Dat mijn uitverkorene grote doses drukwerk verslond, vonden ze overkomelijk, want zelfs in de betere kringen was dit al usance. Nee, echt onaanvaardbaar vonden zij, dat mijn minnaar volgens de geheime inlichtingendienst een ander geloof aanhing dan zij. Onze livreiers hoorden vanachter gesloten deuren tirades en beschaafd geschreeuw. Kijk, hier is mijn dagboek van toen. Lees maar, dan hoef ik niet zoveel te praten,’ biedt de prinses genereus aan.

Job leest, wat hij voor een toneeldialoog houdt:
Mier: ‘Wat heeft gelóóf er nou mee te maken? Het gaat om de Liefde. Door dichters bezongen, door operacomponisten getoonzet, door beeldhouwers in steen gehakt. Liefde gaat boven geloof.’
De koning: ‘Dat helpen wij je hopen, maar wij en je stiefmoeder maken ons ernstige zorgen. Begrijp dat. Die verslaafde is geen partij voor jou. Denk aan jouw opleiding door de duurste gouvernantes…’
Mier: ‘Je wílt het gewoon niet begrijpen. Ik mag hier nóóit wat! Nooit!! Alleen jullie geloof is goed. Al het andere is áltijd fout.’
De koning: ‘De dialoog moet helder blijven. Respectvol. En dat kan heel goed, zolang jij precies doet, wat wij en je moeder bevelen.’
Mier: ‘Stíefmoeder! Maar dat is niet aan de orde. Het bewijs. Niks mag ik. Ik ben verdorie al zestien. Ik mag al op een brommer rijden, als het mocht van jullie. Maar een eigen mening…’
De koning: ‘Kan best wezen allemaal, maar wij en je moeder of, zo je wilt stiefmoeder, wat voor de rechts- en gezagsverhoudingen van geen belang is overigens, verbieden je om nog langer met die foutgelovige te verkeren. Het kan de monarchie schaden. Als de roddelpers hier lucht van krijgt, dan…’
De stiefmoeder: ‘Dan zijn de rapen aangebrand.’
Mier: ‘Dat geloof is alleen maar een smoesje. Jullie geven me ook geen kans op de ervaringen van Siddharta.’
De koning: ‘Van wie?’
Mier: ‘Siddhárta! Ook zijn ouders probeerden te vermijden, dat hij het lijden in de wereld zou zien. Nou, dat lijden werd mooi de hoeksteen van zijn leer! Lekker puh.’
De koning: ‘Laten wij je dan klip en klaar vertellen, dat het gezin nog altijd de hoeksteen van elke samenleving is.’
Mier (temend): ‘Een gezin, dat wil ik ook.’
Koning (onverstoorbaar): En wij zijn altijd een keurig, gezellig gezin geweest. Tot jij aanpapte met die smerige drukwerkgebruiker.’
Mier (met een snik): ‘Maar hij… hij is gedoopt, net zo goed als wij. Met het doopsel van begeerte.’
De stiefmoeder: ‘Hè, jakkes Mier, niet van die lelijke woorden.’
Job geeft het dagboek terug.

‘Enfin, zoals iedere weldenkende vader met puberdochters je kan vertellen, hielpen al deze strijdgesprekken totaal niet. Integendeel, ze joegen mij te meer in de armen van mijn vrijer. Wat begon met grapjes, gekeuvel en plagerig gestoei in het nabij gelegen speeltuintje ging al snel over in romantisch geknuffel en ‘heavy petting’ in de prieeltjes van de paleistuin. Zodoende kon ik vóór de volgende volle maan al verzuchten:
‘Hadde ic ghedaen mijns moeders raet,
Ic waer wel maecht ghebleven.
Nu hebbe ic sinen wille ghedaen:
Muyn buycxken is mi opgheresen.’

‘Was u eh, zeg maar, bleven de maandstonden bij u uit?’ vraagt Job.
Inderdaad, zo bleek uit drie keer testen met de onfeilbare kikkerproef. Want bij geen van de drie proefnemingen veranderde de kikker in een prins, wat had gewezen op een broertje of zusje in aantocht, terwijl het kikker blijven van de kikker wees op een toekomstige prins of prinses, en wel binnen krap negen maanden.’
‘En toen?’
‘Mijn zwangerschap in ongehuwde staat was een schande, een prinses onwaardig. Mijn vader, vorst Winter en mijn stiefmoeder, zijn gemalin, trokken hun handen af van mij, hun dochter. Het Kabinet des Konings bekrachtigde dit decreet met gewone meerderheid van stemmen, zijnde unaniem. Voordeel van dit nadeel: nu konden wij geliefden elkaar plechtig het ja- en amenwoord geven. Bij de trouwerij kwam veel volk juichen en vrolijk met rookbommen naar ons gooien. De bevalling verliep voorspoedig en special interest tijdschriften zoals ‘Kind en Nachtrust’, ‘Opvoeding of Sondevoeding’, maar vooral ‘Teeny Mom 4Ever’, haalden enorme oplagen.’
‘En toen?’
‘Ons prille geluk duurde maar kort. Mijn werkschuwe man zat alleen maar naar tv-series als de Xenosaga trilogy, Battlestar Galactica en Lexx te kijken. Om hem aan zijn dagelijkse dosis drukwerk te helpen, moest ik al snel een bijbaantje zoeken. In de gaarkeukens van de stad stond ik piepers te jassen, kroten te koken en grauwe erwten en blauwe bonen te sorteren. De werkhuizen van de vermogenden moest ik op mijn knieën dweilen. Mijn schatrijke ouders schonken ons geld noch afgedankt goed. En al had mijn vader gewild, hij kón niets doen, want mijn stiefmoeder, dat secreet, herinnerde hem steeds aan het decreet.’
‘En toen?’
‘Op een kille dinsdagavond in november zat ik bitter te huilen om mijn lot en babykleertjes te verstellen met mijn Singer naaimachine uit het gedicht van Paul van Ostayen, die ik in de kringloopwinkel tegenkwam. Maar bij het verwisselen van het spoeltje haal ik me daar mijn vinger open, niet normaal. Bloed droop op het sleetse witte tapijt. En al kende ik de film en het boek, toch viel ik terstond flauw. Minuten later kust bovenbuurman DJ Cool Frog, een koele kikker in een groen fluwelen kostuum met bijpassende strik, me wakker. De kus! Dit gaat mijn eega verkeerd uitleggen, was mijn eerste gedachte. Dus ik weg, in paniek, zonder rantsoen, naar een hangplek in het plantsoen. Daar zoent ene Judas me op de wang en even later slaan undercover agenten me in de boeien. Op last van mijn valse stiefmoeder zetten ze me hier in dit groene kasteel gevangen en Prok en Kerb bewaken me.’
‘En toen?’
‘Toen was het nu. Niets hoor ik.’
‘He gatsie, nog doof ook. Hoe kwam dat zo?’
‘Mijn stiefmoeder censureert alles. Dat mijn echtgenoot is overleden aan een overdosis ongeadresseerd drukwerk en in stilte begraven is? Niemand vertelt het me. Dat de buren onze huilende baby te vondeling hebben gelegd bij een klooster, waar barmhartige nonnen zich over haar ontfermen om haar in deugdzaamheid en godsvrucht tot een nuttig lid van de congregatie te manipuleren? Teveel moeite om mij als haar moeder even in te lichten, weetjewel.’
‘En nu?’
‘Door introspectie en evaluatie weet ik nu, hoe snel zelfs dames uit de hoogste kringen onaanraakbaren kunnen worden. Hoe snel je verloedert, als je met onaangepast tuig omgaat. Hoe snel je de gunst van het klapvee verspeelt. Dat heb ik zelf ervaren. Dus ik slijt …’
‘Dat is je echt niet aan te zien, hoor.’
‘… mijn dagen en nachten in deze toren, verguisd, vergeten en slechts geboeid door verhalen uit de ochtendtheebladen. Ach, dit leven is soms een beetje saai met ’s ochtends een modderbad, moutpap en tot het middagmaal pure verveling, in de middag een dutje, punniken en patience. Velen in doorzonwoningen in slaapsteden kennen deze sleur, die echter ’s avonds na de warme prak helemaal goedgemaakt wordt door even vermakelijke als leerzame tv-programma’s: bekende landgenoten die elkaar de loef af en de ogen uitsteken in talkshows, elk kwartier een gezellige quiz, terwijl in split-screen buren van bekende landgenoten intussen in close-ups ongevraagd hun bekende villa’s, bolides en nakroost verbouwen en slopen. Tegen tienen is er ‘Blind Date met een Ziener’ via het eerste net en ‘Koe zoekt Hooi’ voor bezitters van een schotelantenne. Als ui-smijter voorspelt de dikste man van Illuzië in een bruingeblokt ribfluwelen pak de toekomst van het weer, mede mogelijk gesponsord en dus gedicteerd door de Toeristenbond. Stuk voor stuk programma’s met hoge kijkcijfers, want zonder inhoud.’

Amor amorf

Bij de thee keuvelen prinses Mier en de verliefde Job geanimeerd verder over batikken, beleggen, monchoutaarten, globalisering, de oerknal op oudejaarsavond, robotisering, breuken in de CP-symmetrie en de opmars van de huismijt. Job verstaat dit als ‘huismeid’, zodat ze lang langs elkaar heen praten. Intussen veinzen beiden uit beleefdheid, alle begrip te hebben voor het standpunt van de ander.
Met zoveel boeken rondom en op de salontafel komt onvermijdelijk ook de literatuur ter sprake. Job informeert naar Nietzsche, die met twaalf kloeke werken prominent vertegenwoordigd is.
Mier is een grote fan van de bedenker van de Übermensch en leest een passage voor:
‘Stel dat een demon tegen je zou zeggen: “Dit leven dat je nu leeft en geleefd hebt, zul je nog eens en zelfs ontelbare malen opnieuw leven. Zonder dat er ook maar íets verandert. Alle leed en lust, elke gedachte en zucht, het allerkleinste en het grote van je leven maak je opnieuw mee, precies in dezelfde volgorde. De eeuwige zandloper van je bestaan wordt keer op keer omgedraaid, net als jij, stofje van stof.” Zou je dan niet op de grond gaan liggen en tandenKerbsen en die demon vervloeken? … Wil je zo’n eeuwige terugkeer ten diepste begrijpen, – niet alleen vrede met haar hebben, maar haar omarmen! – dan is daar amor fati, ‘liefde voor het lot’ voor nodig. Amor fati is mijn formule voor menselijke grootheid: dat men niets anders wil, niet vooruit, niet achteruit, niet in alle eeuwigheid. Dat men niet alleen het noodzakelijke wil dragen, en nog minder het wil verbergen maar dat men het noodzakelijke wil liefhebben.’

Terwijl Mier voorleest, bekijkt Job het interieur. Een designlamp van Thomson hangt boven de salontafel, met daarop de Klein-fles en een kaartspel. Op het televisietoestel staat een aquarium vol kikkervisjes, die gewoonlijk voor meer afleiding zorgen dan de tv en de tv-programma’s. Mier volgt – multitaskend – zijn blik en vertelt tussen het voorlezen door, dat zij er soms urenlang naar zit te kijken. ‘Want weet je, ik wil observeren, op welk moment een kikkervisje exact een kikker wordt.’

Na de laatste zin over amor fati klapt Job in zijn handen, met name om het woord amor, maar om dit te verbloemen komt hij meteen met een tegenwerping: ‘Nou, de geniale schrijver Raymond Queneau heeft anders bewezen, dat “A la recherche du temps perdu” niet twee keer geschreven kan worden, hoeveel apen men ook eindeloos achter typemachines zet.’
Mier knikt weliswaar, maar meent: ‘Zelfs de filosoof-dichter Lars Gustafsson lijkt in de mogelijkheid van zo’n eeuwige wederkeer te geloven. Hij beroept zich in een ballade op Philip Martin op Lebesgues Integraal, die nog verbeterd is door Norbert Wiener. Met die integraal zou je onbetwistbaar kunnen berekenen, hoeveel tijd  het een aantal moleculen van ijs op een meer kost om in dezelfde formatie nog eens op te treden en dan voorgoed. Dus.’

‘Maar bedoelt hij dan consumptie-ijs?’ grapt Job, die zo gauw geen weerwoord heeft, maar de prettige sfeer niet wil verpesten en zijn toevlucht neemt tot anekdotisch realisme, dat vaak een overrompelend effect heeft in debatten, waardoor men de opponent zonder fysiek geweld kan vloeren en de mond snoeren, zodat men twee vliegen in één klap verschalkt.
En omdat Mier even de mond is gesnoerd, grijpt Job zijn kans om zich te profileren.
‘Nou, voordat ik hier kwam, zat ik in het moeras en schrok ik dus wakker door geritsel. Staat daar pal vóór me een Kretenzische hagedis! Misschien ken je dat beruchte huisdier der sofisten wel. Gelukkig heb ik op school goed opgelet bij biologie en dus herken ik meteen de Lacertus Antropofagus Sapiens. Ik sla wild met een dorre tak naar dat stuk ongedierte, maar wat denk je? Het schuifelt onaangedaan als een stoïcijn op me af! En wat denk je, dat het lijzig vraagt?’
Mier haalt haar schouders op. Hoe moet zij dat weten? Of: moet dit haar boeien?
‘Dat monster zegt dus: “nu ga ik je opvreten, dat denk je, hè?”
Maar ik kreeg één kans. Ik moest een vraag beantwoorden. Was het antwoord goed, dan zou hij doen, wat ik had gezegd. Maar was het antwoord fout, dan vrat hij me op. Wat denk je, dat hij vroeg?’
Tot haar ergernis moet Mier het antwoord schuldig blijven, want ze kan niet naar willekeur in het verleden kijken. Job gniffelt.
‘Hij vroeg, wat hij met me ging doen! Nou, je begrijpt dat ik de tijd nam om koortsachtig na te denken. Als ik zei: “jij gaat me opvreten” dan deed het mormel dat natuurlijk. Maar zat ik fout, dan vrat hij me voor straf op. Dus ik bleef maar praten, net een onderhandelaar bij een hachelijke situatie.’
‘Dat doe je nu ook,’ denkt Mier met toenemende irritatie, maar zonder effect.
‘Dus ik vroeg hem of hij een Kretenzer-hagedis was. Een open vraag was beter geweest, maar het was een beginnetje. De menseneter beaamde, dat de naamgeving klopte. Dus zei ik listig: zeg me dan als Kretenzer, of alle Kretenzers liegen. Haha, de genadeslag die hij had willen uitdelen trof zijn eigen achterhoofd.’
Mier gaapt. ‘En toen?’
‘Toen ging hij ervandoor zonder antwoord te geven!’

Onder het vertellen raakt Job steeds meer in de war, doordat zijn genegenheid voor Mier enorm groeit. Maar vóór hij zijn gevoelens met het juiste timbre kan verwoorden, lijkt zij die al te raden. Is zij door haar vernederende huwelijk soms allergisch geworden voor overhaaste toenaderingspogingen?
In elk geval kapt zij het gesprek abrupt af: ‘Woorden zijn nu genoeg gewisseld. Zo dadelijk komen de drie delen van Back to the Future op de televisie en daarna The Time Machine en Planet of the Apes en The Final Countdown. Die wil ik niet missen. En dan heb ik op dvd nog liggen Terminator, Star Trek IV en Timecop, die ik allemaal ook nog wil zien. Dus ga jij nu maar snel je riddersporen verdienen. Dan mag je daarna komen dingesen naar mijn hand. Bovendien wil ik ook nog mijn memoires afronden.Ik w erk er nu al drie jaren onafgebroken aan. Misschien kun jij me trouwens een tip geven. Kijk, het kost me twee dagen om één geleefde dag te beschrijven. Twee dagen kosten me dus vier dagen. Drie dagen kosten tien dagen schrijven en schrappen, en zo voort. Nu vrees ik, dat het werk nooit klaar zal komen. Reken maar eens uit, hoe lang de beschrijving van mijn eerste levensjaar alleen al zal duren!’
Job denkt na. Vaag herinnert hij zich een probleem van graancirkels op een schaakbord in India of zo en hij antwoordt: ‘De oplossing is simpel. Schakel een ghostwriter in. Die neemt op zijn beurt een ghostwriter aan en die ook weer één en zo tot in het oneindige. Dan moet het lukken.’
‘Hm, nou bedànkt! En nu wegwezen. Ik heb het druk. Ga buiten maar even heldendaden verrichten.’
Job ziet in, dat tegensputteren niks uithaalt. Even overweegt hij zinvol geweld. Brute kracht brengt vaak succes, dat bewees Alexander de Grote al toen hij de strijdbijl in de gordijnse knoop plantte. Maar de kans bestaat, dat hij daarmee haar liefde voorziet van een onaangename connotatie, die nadelig kan zijn voor toekomstige uitingen van genegenheid. Terwijl hij met een stijve rug opstaat van de harde stapel boeken en neerknielend haar handen pakt, vraagt hij quasi onaangedaan: ‘Wat wens je echt?’
Nu zit Mier met een probleem. Ze kan hem de stal achter het kasteel laten uitmesten, maar straks verlegt die gek nog een rivier en loopt de hele boel onder en verdrinkt ze hier in de toren. Ze kan eisen, dat hij haar de Steen des Levens brengt. Maar aan elke keuze kleeft het bezwaar, dat de tegenhanger van de uitgesproken wens dan buiten bereik raakt.
Job legt haar weifelen als aanmoediging uit. ‘Wens wat je wilt,’ dringt hij aan.
‘Laat me éven denken, ja!’ snauwt Mier. Amper heeft ze dit gezegd, of zij beseft met een schok, dát en wát ze gewenst heeft: bedenktijd! Ze slaat haar hand voor haar mond. ‘Wat had ik allemaal niet kunnen krijgen! Een toverformule. Satori! Een imperium, net zo invloedrijk als de software-maffia. Of de Kraalbeker…’ Ze raakt buiten zichzelf van woede over haar eigen stommiteit. ‘Donder stante pede op!’
Een tikkeltje teleurgesteld kust Job de zoom van haar morsige, ooit blauwe jurk en klimt terug in de boekendoos. ‘Schuif je me even naar buiten?’ vraagt hij beleefd.
Met een ferme voetbeweging werkt de woedende Mier hem de wenteltrap af.
Bij het al snel bereiken van de begane grond murmelt Job: ‘Grutjes.’

Daar ligt Job, als een foetus opgekruld in een baarmoederdoos ver van zijn aanbedene, die grommend het kanaal zoekt, dat Back to the Future gaat uitzenden. De zin van Schillers ‘De waan duurt kort, berouw duurt lang,’  uit Das Lied von der Glocke, doordringt hem in volle, pijnlijke hevigheid.

Na een nauwgezette zelfdiagnose weet Job exact, wat hem mankeert. Zijn hart is gebroken, maar zijn verstand redeneert. Natuurlijk heeft Mirabiledictu tijd nodig om hun prille romance emotioneel te verwerken. Natuurlijk moet zij zich een helder beeld vormen van alles wat zij in korte tijd hebben besproken. Natuurlijk is hij niet ècht afgewezen. Steeds maar weer herhaalt hij in gedachten dit refrein. Hij moet gewoon zijn rug rechthouden, als een echte vent, in de geest van Menno ter Braak. Hij is immers geen slappe vaatdoek op een vies aanrecht? Maar zo voelt hij zich wel.
Er moet iets gebeuren. Maar wát? Werkt oprechte bekering bij een gebroken hart? Of tweecomponentenlijm? Job kan dit als leek niet beoordelen. Dat is meer iets voor een kundige arts. Een hartspecialist! Dit inzicht herstelt zijn daadkracht. Zijn wil en voorstellingsvermogen zullen hem een levensweg banen door deze wereld vol obstakels! Hij klimt uit de doos en gaat omzichtig op de onderste trede van de wenteltrapzitten.  Hier schrijft hij met zijn gegraveerde balpen vóór de naam van de prinses op de adressticker AFZENDER en onderaan voegt hij toe:
Au directeur-docteur de l’ Hopital des Invalides,
Rue de Grenouille 13,
Paris, France (ou un autre spa).
Échantillon important.

Oppertoezichthouder en sinds kort ook securitymanager Prok en zijn dommekracht Kerb zitten op het voorplein aan een ruwhouten kloostertafel, waar zij met grote kannen donker bier hun troosteloze portie aardappelen wegspoelen.
Ineens steekt Kerb zijn misvormde neus snuivend in de lucht. ‘Kruikwat,’ blaft hij.
‘Huh? Wah?’ vraagt Prok met volle mond, waardoor een aardappel uit zijn mond en in zijn bier valt. Hij vloekt blasfemisch hartgrondig en luid, zodat Kerb opveert en zijn knie genadeloos hard tegen het eiken tafelblad stoot. Zelfs verkoeling met zijn eigen kostbare koude bier kan de opkomende zwelling niet tegenhouden en zijn tronie is in een grimas van pijn vertrokken. De gevoelloze Prok schijnt het niet eens op te merken.
‘Wa zever je nou?’ vraagt hij boos.
‘Dakwa ruik,’ herhaalt Kerb.
‘Hargh,’ gromt Prok, die ongestoord wil middageten en driedubbel geïrriteerd is over de inbreuk op de regels, de gevallen eigenheimer en zijn nu verontreinigde bier. Door de samenloop van deze drie onprettige feiten verstrikt hij zichzelf in een keten van zwartgallige associaties. Hoeveel jaren slijt hij nu al troosteloos zijn dagen in en om dit schimmelige kasteel? Zonder kans op promotie of een schouderklopje, en daar doe je het tenslotte voor. Zijn gedachten dwalen af naar vroeger, toen hij nog afschuwwekkend en jong was en door iedereen gehaat werd. Ook hij koesterde jongensdromen. Van brandschatten, plunderen, platslaan en genocide, wanneer hij zijn tinnen soldaatjes keurig in slagorde pal tegenover de kanonnen opstelde. Maar het leven heeft die mooie idealen gaandeweg vermorzelt, zodat hij hier nu met een plastic vork een aardappel uit zijn vertroebelde bier zit te vissen.
‘Hé, luifter je wel? Kruikwat seggik.’
Mopperend komt Prok overeind. Je kunt niet weten. Kerbs loopneus bedriegt hem zelden en eerder was er ook al onsleur. Chagrijnig door de onderbreking van zijn maal, het enige lichtpunt in zijn verder zo vreugdeloze bestaan, sjokt Prok naar de wenteltrap. Kerb trekkebeent achter hem aan.

Tot hun verbazing staat daar de doos, die ze eerder met zoveel moeite naar boven hebben getild.
Prok krabt zich achter zijn misvormde oor. ‘Hier zit een luchtje aan.’
‘Kseg tog dak wa ruik.’
‘Hoe krijgt dat trutje in haar eentje die zware doos beneden? Houdt ze soms helpers verborgen? Kerb, jongen, we gaan het hele kasteel door met een fijn kammetje, zoals ik dat in mijn tijd bij Bas heb geleerd. Nee wacht, rekent dat loeder op deze reactie en probeert ze ons te bedotten met die truc in een boekenkist. Kom, hoe heet die Hugo de Groot ook weer, die zo uit Boevendijk ontsnapte? Nou, dàt zal ze weten dan!’ Prok legt al zijn gram in de stoot met zijn rapier, dwars door de doos.
Had Job kunnen gillen, dan was dit het juiste moment geweest. Maar met de helderheid van geest, die zo kenmerkend is voor de ware held, verdringt hij de snerpende pijn. Misschien kan hij later krijsen, in het ziekenhuis, want daar zijn ze wel wat gewend. De doos geeft dan ook geen kik na het wapengeweld en Prok concludeert: ‘Nee, ze probeert niet te ontsnappen. Dat kammetje kan wachten, eerst verder eten.’

Nadat hij de nu koude aardappel uit het bier naar binnen gewerkt heeft, laden de twee wachters de doos op de rug van de ezel Lastpak en sloffen naar het hoofdpostkantoor in de stad Elders.
Om tijd te winnen volgt nu geen gedetailleerd verslag van de tocht van de doos naar het heelinstituut van dottore Baardhaard. Dat is jammer, want Job beleeft onderweg nog enkele benarde avonturen op de rug van het ezeltje, dat door Kerb meedogenloos over glibberige bergpaadjes, langs peilloze afgronden en verbrande braamstruiken wordt gejaagd. Dit alleen al zorgt voor bloedstollende beelden, maar halverwege de reis geselt een wolkbreuk met enorme hagelstenen de doos. Van joyriding kun je dus moeilijk spreken. Wanneer de mannen, de ezel en de doos na uren bij de stadspoort aankomen, stort de afgebeulde Lastpak in… en half óp de doos en bijna zelfs van de ophaalbrug. Prok grijpt net op tijd de halster, wat weliswaar alarmerende ademhalingsproblemen bij het dier veroorzaakt, maar ook zijn leven redt. ‘All is well, that ends well,’ balkt het dier blij.
Nu prikken twee norse poortwachters met hun hellebaarden in de doos en dus in Job. Ze doen alsof zij illegaal drukwerk zoeken, maar proberen in werkelijkheid de passanten geld af te troggelen, als die hun doos liever heel willen houden. Het zakflacon absint van Kerb biedt uitkomst en wordt als betaling geaccepteerd.
Voordat de kasteelwachten hun vrachtje afleveren bij het kuuroord, smeren ze nog even hun kelen met enkele kroezen kloosterbier in de stadstaveerne. Wat is het daar een drukte van belang! Gepeupel uit alle windstreken schreeuwt om lichtekooien en bier, baant zich een weg naar de tap en ruziet daar over de betaling. In dit onstuimige gedrang trappen lallende dronkaards tegen de doos en vechtende kaartspelers vallen erop. Job verliest dan ook het bewustzijn, zoals gebruikelijk in een matig toneelstuk, een belabberde roman of een film uit Hollywood.